Dood van Benazir Bhutto
Rawalpindi, 27 december 2007
De dood van politieke figuren die iets betekend hebben in de wereldgeschiedenis blijft toch iets om eens bij stil te staan. Of ze nu kwaad of goed gedaan hebben, ze vertellen vaak iets over de geschiedenis en de toekomst van hun land. De dood van Benazir Bhutto is niet anders, maar misschien anders dan bij vele andere sterfgevallen was dit een aangekondigde dood.
Ze verklaarde zelf, bij een eerste aanslag na haar terugkeer eerder dit jaar in Pakistan dat vier groeperingen achter haar aan zaten: een Al-Quadacel, een Talibancel, een groep uit Kasjmir en nog een andere extreme Moslimgroepering. Dit was niet helemaal onlogisch. Wanneer we de geschiedenis van Pakistan bekijken, kunnen we niet anders dan vaststellen dat haar dood aangekondigd was. Alles begon na de Tweede Wereldoorlog, toen in India een onafhankelijkheidsstroming op gang kwam. Mahatma Gandhi en Pandit Nehru streefden naar een onafhankelijk India waarin hindoes en moslims vreedzaam samenleefden. Groot-Brittannië, de vroegere kolonisator besliste echter anders. De onafhankelijkheidsverklaring van de Britse onderkoning van India, Lord Louis Mountbatten, zorgde voor het ontstaan van twee landen: een moslimstaat (Oost-Pakistan -het latere Bangladesh- en West-Pakistan) en een hindoestaat (India). Dit bracht grote volksverhuizingen van verschillende geloofsgroepen met zich mee: hindoes naar India en moslims naar één van beide Pakistans. Grensgebieden tussen beide landen bleven betwist, zoals Kasjmir. Door de creatie van een kunstmatig land met ontwortelde inwoners, waarvan 97% moslims, creeër je een potentieel gevaar op traditionalisme. Extremisme hoeft hier zeker geen gevolg van te zijn, maar desalnietemin is het risico daardoor veel groter. Kunstmatige landen brengen immers het risico met zich mee dat plaatselijke leiders of geestelijke leiders van bv. stamverbanden een grote invloed krijgen op de bevolking (denken we maar aan de krijgsheren in Afghanistan). Wanneer het cement van een traditierijke natie ontbreekt, komt godsdienst vaak op de proppen. Als we er de jaarlijkse verslagen van Amnesty International bijnemen, vallen meteen een aantal zaken op die in die richting wijzen. Zo werden in 1994 2 mannen veroordeeld tot ieder 10 zweepslagen door een tribale jirga (raad van ouderen) wegens het drinken van alcohol, wat volgens de tribale islamitische wetgeving strafbaar is. In datzelfde jaar werd een mohamedaanse arts gestenigd door een groep mensen die dacht dat hij een christen was die de koran verbrand had. Terwijl hij nog in leven was, werd zijn lichaam in brand gestoken en door de straten van de stad Gurjanwala gesleept. In februari 1997 werd 1 man gedood en werden er 300 huizen in brand gestoken van een christelijke gemeenschap in Shantinagar, nadat het gerucht de ronde deed dat de christenen de koran ontheiligd hadden. Niets van het onderzoek werd openbaar gemaakt. Maar ook het staatsgerechtelijke apparaat deed jarenlang vrolijk mee aan de arrestaties van christenen, leden van Ahmadiyya (minderheidsgodsdienst), enz. Op godslastering stond toen de doodstraf. En zo kunnen we met ieder jaarboek doorgaan.
Bovendien zitten we in een culturele wereld (want de islamitische godsdienst zelf is in principe niet vrouwonvriendelijk) die vrouwonvriendelijk is. Dit is zeker geen verwijt naar de culturele wereld die eigen is aan de moslimgemeenschap, want ook onze Westerse wereld is eeuwenlang vrouwonvriendelijk geweest. Het heeft ons tientallen jaren gekost om de lijn ietwat gelijk te trekken. In ieder geval is men in vele landen met een islamitische culturele achtergrond nog zo ver niet. Ook niet in Pakistan. In 2006 kwam in 80% van de huisgezinnen allerlei geweld tegenover vrouwen voor, en gearresteerde vrouwen zouden 4/5 keer door hun bewakers verkracht worden. In ieder jaarboek van Amnesty komen daarover aanklachten voor. Tot 2006 moesten bij verkrachtingszaken altijd mannelijke getuigen het verhaal bevestigen. Toen er in 2006 een versoepeling van deze wet kwam, waren heel wat parlementariërs hiertegen gekant.
Als je dan nog eens te maken krijgt met een vrouw die meent dat zij premier kan worden van je land, dan is de maat voor sommige mensen vol. Bhutto was al eens premier van het land eind jaren ‘80 en begin jaren ‘90, en trad daarmee in de politieke voetsporen van haar opgehangen vader. Wanneer ze in 2007 terug naar haar land kwam om het op te nemen tegen president (en ex-generaal) Musharaf en daarbij ook nog eens de steun verwierf van Nawaz Sharif, werd ze een reeële bedreiging van die mensen die liever niet een vrouw aan het bewind zien: extremisten en traditioneel gerichte moslims dus. Dat Bhutto trouwens op heel steun kon rekenen, toont aan dat heel wat moslims haar wél als de ideale oplossing van de politieke en economische problemen zagen. De steun die ze genoot van een groot deel van de moslims in haar land, was niet alleen een doorn in het oog van het dictatoriaal geëvolueerde regime van Musharaf, maar vooral ook van de extremistische groeperingen die liever geen vrouw aan de macht zagen. Bhutto heeft de tol van het verleden betaald, maar misschien ook de zwar(t)e toekomst van haar land blootgelegd. Durft de modale Pakistani het opnemen tegen dictatoriale heersers en extremisme? Dat is de vraag die een deel van het Midden-Oosten zal bezighouden. Naast vragen omtrent Irak, Iran, Afghanistan, enz.
Categorie: Actua, Benazir Bhutto, Midden-Oosten, Pakistan